U bent hier
Omgaan met Femoroacetubalare Impingement (FAI)
Door chivo op wo, 09/21/2011 - 18:55
FAI is een structurele vervorming van het heupgewricht en daarmee vergelijkbaar met botgroei bij de schouder. Operaties zijn doorgaans succesvol, maar mogen gezien worden als laatste redmiddel. Hoewel beweegtherapie natuurlijk niet leidt tot het veranderen van de botstructuur, kan het zachte weefsel wel worden getraind. Er is niet veel bekend over de principes van een beweegaanpak. Als we echter de analogie met de schouder doortrekken, waar veel meer over bekend is, dan is er sprake van een ruimtebeperking. Dat betekent dat het gewricht nauwkeuriger moet bewegen, omdat de marge kleiner is. In analogie van de schouder betekent dit, het trainen van de posteriore keten, waarbij de gluteus maximus en medius in coördinatie en kracht moeten worden getraind. Verder is van belang dat een anteriore positie van het bekken, de ruimte vermindert. Een overmatige holle rug is een probleem en een houdingscorrectie is hier dus gepast. Na een aantal weken zouden de symptomen af moeten nemen. Als dat niet het geval is, dan is een operatie nog steeds het overwegen waard zijn.
De heup is veruit het sterkste gewricht van het menselijk lichaam, maar zeker niet onkwetsbaar. Een opspelende heup kan symptoomvrij zijn en juist rug of knieklachten veroorzaken. Uiteindelijk is ook de heup zelf aan de beurt en steeds vaker wordt de diagnose femororoacetubalare Impingement gesteld, soms ook wel bekend als heup impingement. Wat kun je ermee?
Wat is femoroacetubalare Impingement?
Femoroacetubalare impingement is het gevolg van veelvuldige wrijving tussen heupkop en -kom. Dit leidt tot schade aan de kraakbeenlaag of het labrum. De overtollige wrijving kan het gevolg zijn van een abnormale kop (CAM impingement) of een abnormale kom structuur (pincer impingement). Bij CAM impingement is er vaak sprake van afklemming bij flexie in combinatie met endorotatie (Leunig M 2009). Bij Pincer inpingement is vooral de beweeguitslag beperkt (Leunig M 2009). Pijn is vaak aan de anteriore zijde. Er is geen valide en specifieke klinische diagnose voor FAI, maar beide varianten zijn vaak positief bij een FABER test (Clohisy JC 2009, Kuhlman G 2009). Dit moet bevestigd worden met beeldvormend onderzoek zoals röntgen, computer tomografie (CT) magnetic resonance imaging (MRI) en magnetic resonance arthrographie (MRA). Er is doorgaans geen pijn bij rust of dagelijkse activiteiten. De pijn komt meestal bij fysieke zware belasting zoals sporten of squatten.

Bij CAM is er sprake van een afwijkende heupkop, terwiijl bij Pincer er sprake is van een afwijkende heupkom
Soms is de oorzaak van de FAI te vinden in ontwikkelingsstoornissen in de jeugd, maar het overgrote deel van de klachten heeft geen duidelijke oorzaak (Philippon M 2007). Ook komt het veelvuldig bij atleten voor en daar wordt FAI vaak pas laat ontdekt. Dat komt doro de relatieve onbekendheid, waardoor eerder een liesbreuk of aangedane heupflexoren wordt vermoed.
Aanpak
FAI is een structurele vervorming van het heupgewricht en daarmee vergelijkbaar met botgroei bij de schouder. Operaties zijn doorgaans succesvol, maar mogen gezien worden als laatste redmiddel. Hoewel beweegtherapie natuurlijk niet leidt tot het veranderen van de botstructuur, kan het zachte weefsel wel worden getraind. Er is niet veel bekend over de principes van een beweegaanpak. Als we echter de analogie met de schouder doortrekken, waar veel meer over bekend is, dan is er sprake van een ruimtebeperking. Dat betekent dat het gewricht nauwkeuriger moet bewegen, omdat de marge kleiner is. In analogie van de schouder betekent dit, het trainen van de posteriore keten, waarbij de gluteus maximus en medius in coördinatie en kracht moeten worden getraind. Verder is van belang dat een anteriore positie van het bekken, de ruimte vermindert. Een overmatige holle rug is een probleem en een houdingscorrectie is hier dus gepast. Na een aantal weken zouden de symptomen af moeten nemen. Als dat niet het geval is, dan is een operatie nog steeds het overwegen waard zijn.Conclusie
Bij femororoacetubalare Impingement (FAI) is er sprake van een vervorming van de heupkop of -kom. De extra wrijving die ontstaat, leidt meestal tot pijn aan de voorzijde van de heup, bij hoge belasting. Hoewel de botstructuur alleen operatief aangepast kan worden, blijkt het trainen en activeren van de posteriore keten vaak verlichting op te leveren, omdat het gewricht beter gecentreerd wordt.
| Voetnoten | Details |
|---|---|
| Opmerkingen | Geen |
| Belangen | Geen conflicterende belangen |
| Copyright | Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, worden opgeslagen of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. |
| Bronnen |
|
Site categorie:
-
Deel of sla deze pagina op
- Login of registreer om te kunnen reageren
